COLUMN: de international footprint van de Nederlandse agrosector

geschreven op 13 december 2016

Nederland is befaamd om zijn klaagcultuur. We zeuren over alles: de verhoging van de zorgpremie, dat de buurman zijn auto te dicht achter de onze zet en - natuurlijk - over het weer. Ook boeren en tuinders wordt vaak verweten dat ze veel klagen. Maar wees eerlijk: daar hebben ze in veel gevallen ook alle reden toe. Als agrarische ondernemer in ons kikkerlandje heb je anno 2016 met veel zaken te dealen: een overheid die de duimschroeven steeds verder aandraait, natuur-, milieu- en dierenorganisaties die op de barricaden staan en daarbij vaak geen enkel middel schuwen, een steeds kritischer wordende consument en maatschappij en afnemers die het onderste uit de kan willen. Kortom: agrarisch ondernemer zijn is niet makkelijk. Verre van dat zelfs.

De afgelopen maanden heb ik agrarische ondernemers in diverse Europese landen geïnterviewd; Oostenrijk, Slovenië, Groot-Brittannië en Italië. Uit deze gesprekken bleek dat zij in veel opzichten kampen met soortgelijke problemen als de telers, kwekers en veehouders in Nederland; een toenemende bureaucratie, veeleisende consumenten en grootwinkelbedrijven die de dienst uitmaken. De Nederlandse agrariër staat dus niet alleen in zijn problemen; wellicht een schrale troost!

Wat ook opviel in de gesprekken die ik had over de grens is dat de Nederlandse land- en tuinbouw een enorm aanzien heeft. Natuurlijk, dat wordt vaak gezegd, maar het blijkt ook daadwerkelijk zo te zijn. Wanneer je als agrarisch journalist aangeeft dat je uit Nederland komt, opent dat deuren. Buitenlandse telers zijn buitengewoon geïnteresseerd in de ontwikkelingen in de Nederlandse land- en tuinbouw en hebben bewondering voor de manier waarop wij onze bedrijven hebben ingericht en zaken aanpakken. Dat is iets om trots op te zijn! We hebben vaak niet in de gaten hoe goed we eigenlijk zijn; maar dat is misschien ook inherent aan de mentaliteit in de agrarische sector.

We mogen als Nederlandse land- en tuinbouw dus trots zijn op waar we staan. De vele vooruitstrevende initiatieven in de agrosector onderstrepen dit. Denk bijvoorbeeld aan de Brightlands Campus Greenport Venlo, waar de hightech tuinbouw volop in ontwikkeling is. Of aan de diverse bedrijven die proberen om waardevolle inhoudsstoffen te winnen uit planten. En natuurlijk mogen we ook vooraanstaande onderzoeksinstituten als Wageningen UR niet vergeten; ook die dragen een belangrijk steentje bij aan het hoogstaande niveau van de Nederlandse tuinbouw. De belangrijkste ambassadeurs zijn misschien echter wel de vele bedrijven die actief zijn over de grens: overal ter wereld kom je Nederlanders tegen die hun ‘tuinbouwsporen’ nalaten. Zo schreef ik afgelopen week een artikel over twee Brabantse aardbeientelers die in Canada een kasaardbeienbedrijf hebben opgezet; de aardbeienteelt onder glas is hier een primeur! Daarnaast reis ik komende week naar Warschau, samen met een Nederlandse tuinbouwtoeleverancier die - samen met de universiteit in de Poolse hoofdstad -  een proef heeft opgezet met het telen van komkommers onder ledlicht. En hoeveel buitenlandse teeltbedrijven zijn er niet, waar een Nederlander aan het roer staat?

De Nederlandse agrosector heeft haar ‘international footprint’ dus meer dan verdiend. In het verder uitbouwen van die footprint liggen nog legio kansen. Deze kunnen we grijpen door te blíjven inzetten op kennis en innovatie. Hier zijn gelukkigs steeds meer ondernemers zich van bewust; er is sprake van een positieve vibe in tuinbouwland. Kortom: het is zeker niet alleen maar kommer en kwel!